Zes blaffen per uur per hond bij een hondenpension is de representatieve bedrijfssituatie

De hondenjurisprudentie blijft boeien. Uiteraard gaat het om pensions of andere verzameling van honden en het grootste bezwaar is het geblaf van de dieren. Hoe bepaal je nu de geluidsemissie van deze beesten? Natuurlijk met een akoestisch rapport. Maar welke gegevens stop je in het rapport? Een leerzame uitspraak.

Feiten:
Het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren verleent een oprichtingsvergunning voor het oprichten en in werking hebben van een hondenpension. Omwonenden komen in beroep. Zij voeren aan dat niet aan de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Wat de feitelijke geluidbelasting vanwege de inrichting betreft heeft het college de akoestische rapporten tot uitgangspunt genomen. Op basis van deze rapporten heeft het college zich bij het nemen van het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan.
Overwegingen:
Uit de akoestische rapporten volgt dat de inrichting in de representatieve bedrijfssituatie aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen. Daarbij is uitgegaan van gemiddeld 6 blaffen per uur per hond. Gezien de aangevraagde – en vergunde – bedrijfsvoering, onder meer de wijze waarop de honden in het pension zullen worden gehouden, acht de Afdeling aannemelijk dat het gehanteerde blafgedrag representatief is voor deze inrichting.
Voorts is uitgegaan van een bezetting van het maximaal aantal vergunde honden. De beroepsgrond van [appellant sub 1] dat te weinig rekening is gehouden met een drukke bezetting, faalt dan ook. Voor zover [appellant sub 1] aanvoert buiten zijn woning geluidoverlast te ondervinden, overweegt de Afdeling dat uit de systematiek van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) volgt dat de daarin genoemde geluidgrenswaarden gelden ter plaatse van geluidgevoelige objecten, in dit geval onder meer de gevel van de woning van [appellant sub 1]. Een tuin, terras of erf bij een woning is geen geluidgevoelig object als bedoeld in de Handreiking. Deze beroepsgrond faalt.
In het akoestisch rapport van 24 januari 2008 is het blafgedrag van in de inrichting aanwezige honden in verband met passerende treinen nader beschouwd. De conclusie is dat, rekening houdend met dit blafgedrag, aan de gestelde geluidgrenswaarden kan worden voldaan. [appellant sub 2] heeft deze conclusie niet bestreden. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat voornoemd akoestisch rapport in zoverre gebreken of leemten in kennis vertoont. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de in de vergunningvoorschriften gestelde geluidgrenswaarden niet naleefbaar zijn.
De beroepen zijn ongegrond.

Aantekeningen:
Het meten van geluid is lastig, vooral vanwege achtergrondgeluiden en niet representatieve meetomstandigheden. Daarom wordt in akoestische rapporten vaak de geluidbelasting berekend. Daartoe zijn aannames nodig: het aantal honden, het bronvermogen (eerder is bepaald dat er verschil kan worden gemaakt tussen grote en kleine honden), maar ook het aantal blaffen per uur. Wat is daarin reëel? De Afdeling kan akkoord gaan met en gemiddelde van zes blaffen per hond per uur, dat wil zeggen dat elke honden één keer per 10 minuten blaft. Ik ben een hondenbezitter en ik weet dat mijn hond een keer per 10 dagen blaft, maar dat is ook een zeldzaam rustig dier. Maar ik weet ook dat er drukkere dieren zijn. Hoe de Afdeling aan zijn oordeel komt weet ik niet, maar zes blaffen per uur per hond acht zij representatief. In ieder geval: wordt ook onder die omstandigheden aan de geluidsnormen voldaan, zodat de beroepsgrond ten onrechte is voorgesteld.

Let op:
Met zes blaffen per uur wordt de gemiddelde hond goed beschreven.

Zie: LJN: BI6057
http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=zaak&nummerzaak=200804804

DELEN